Fiscale drempels bij flexibele onderwijstijden

Het uitwisselen van personeel tussen onderwijs en opvang is complex. Eén van de oorzaken daarvoor is de BTW-heffing die er plaatsvindt bij uitwisseling van het personeel. In onderstaand bericht geeft Staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) aan de Tweede Kamer zijn visie op de (on)mogelijkheden die er zijn op dit moment.

 

Reactie op Motie Ypma inzake fiscale drempels binnen het experiment flexibilisering onderwijstijd.
Naar aanleiding van het voortgezet schriftelijk overleg over het experiment flexibilisering onderwijstijd van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op 21 mei 2014 heeft uw Kamer de motie Ypma (TK 31289, nr. 192) aangenomen waarin de regering wordt verzocht om met een brief aan de Kamer te komen waarin verschillende scenario’s worden uitgewerkt om de ongewenste fiscale drempels binnen het experiment flexibele onderwijstijd en binnen de VM2-trajecten (zo veel mogelijk) weg te nemen. Over deze motie heeft overleg plaatsgevonden tussen enkele scholen die deelnemen aan het experiment en medewerkers van de ministeries van OCW, SZW en FIN. Tijdens dit overleg is duidelijk geworden dat de fiscale belemmeringen zich beperken tot de btw-heffing bij het tijdelijk (bijv. voor één of twee dagen per week) ter beschikking stellen van (pedagogische) medewerkers van een kinderdagverblijf aan een school in het kader van het experiment flexibele onderwijstijd. Binnen de zogeheten “VM2-trajecten” die ook in de motie genoemd worden speelt deze problematiek niet.

Zoals ik tijdens het VSO heb aangegeven zal ik mede namens de Staatssecretaris van Financiën achtereenvolgens ingaan op:
1. De bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de btwonderwijsvrijstelling.
2. Wanneer is het tijdelijk ter beschikking stellen van onderwijzend personeel vrijgesteld?
3. Enkele situaties op grond waarvan btw-heffing bij het tijdelijk ter beschikking stellen van (pedagogische) medewerkers door een
kinderdagverblijf aan een school niet aan de orde is.

 

Ad 1. De bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de btwonderwijsvrijstelling. 

De Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) is gebaseerd op de Europese BTW-richtlijn. In artikel 132 van deze richtlijn zijn enkele vrijstellingen opgenomen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang. De EU-lidstaten zijn verplicht om de in dat artikel genoemde vrijstellingen om te zetten in hun
nationale wetgeving en mogen aan bepaalde vrijstellingen voorwaarden verbinden (artikel 133 en 134 van de BTW-richtlijn). Artikel 132, lid 1, onder i en j, van de BTW-richtlijn, vormt de basis voor de btw-vrijstelling voor het verzorgen van bepaalde vormen van onderwijs (hierna: de onderwijsvrijstelling). De onderwijsvrijstelling is opgenomen in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de Wet OB. Ook de nauw met het vrijgestelde onderwijs samenhangende prestaties zijn onder voorwaarden vrijgesteld van btw (artikel 11, tweede lid, van de Wet OB). Verder maakt de onderwijsvrijstelling een onderscheid tussen het wettelijk geregelde onderwijs en het bij algemene maatregel van bestuur (artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968) aan te wijzen onderwijs. Om te bereiken dat het voor de praktijk (onderwijssector en Belastingdienst) duidelijk is in welke gevallen de onderwijsvrijstelling geldt, is fiscaal uitvoeringsbeleid geformuleerd. Dit beleid is recent nog geactualiseerd.

 

Ad 2. Wanneer is het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel vrijgesteld?
In het hiervoor aangehaalde beleidsbesluit van 30 juli 2014 is uitvoerig omschreven onder welke voorwaarden het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel door een onderwijsinstelling kan delen in de vrijstelling van btw voor handelingen die nauw samenhangen met het verstrekken van onderwijs. Deze voorwaarden zijn geformuleerd door het Hof van Justitie EU in de zaak Horizon College. Kort samengevat is het ter beschikking stellen van onderwijzend personeel van btw vrijgesteld als de ter beschikkingstelling:
a. plaatsvindt door een onderwijsinstelling;
b. onontbeerlijk is voor het verlenen van onderwijs. Daarvan is sprake als de terbeschikkingstelling van zodanige aard of kwaliteit is dat zonder die terbeschikkingstelling de gelijkwaardigheid van het onderwijs wat betreft niveau en kwaliteit bij de inlenende onderwijsinstelling niet is verzekerd; en
c. er niet in hoofdzaak toe strekt extra opbrengsten te verkrijgen met prestaties die worden verricht in rechtstreekse mededinging met commerciële ondernemers die aan de heffing van btw zijn onderworpen.
De vraag of het tijdelijk ter beschikking stellen van (pedagogische) medewerkers van een kinderdagverblijf aan een school om op die school het onderwijzend personeel te ondersteunen als nauw met het onderwijs verrichte prestatie kwalificeert en daarmee onder de onderwijsvrijstelling zou vallen, dient negatief beantwoord te worden. Kinderdagverblijven zijn namelijk niet aan te merken als
onderwijsinstelling, als omschreven bij of op grond van wetten tot regeling van het onderwijs dat volgens het wettelijk voorschrift is onderworpen aan het toezicht door de Inspectie van het onderwijs of aan een ander toezicht door de minister die met de zorg voor het desbetreffende onderwijs is belast (artikel 11, eerste lid, onderdeel o, ten eerste, van de Wet OB). Aan het toetsen van bovengenoemde voorwaarden b en c wordt dan niet toegekomen. Op basis van het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat de onderwijsvrijstelling niet van toepassing kan zijn op het tijdelijk ter beschikking stellen van (pedagogische) medewerkers van een kinderdagverblijf aan een school. De BTW-richtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU bieden daarvoor geen ruimte.

 

Ad 3. Enkele situaties op grond waarvan btw-heffing bij het tijdelijk ter beschikking stellen van (pedagogische) medewerkers door een kinderdagverblijf aan een school niet aan de orde is.
Tijdens het VSO heb ik toegezegd dat als de onderwijsvrijstelling niet van toepassing kan zijn op het tijdelijk ter beschikking stellen van (pedagogische) medewerkers door een kinderdagverblijf aan een school enkele situaties uitgewerkt zullen worden waarin niet aan btw-heffing wordt toegekomen. In dit kader kunnen drie situaties worden onderscheiden:
a. een (pedagogisch) medewerker sluit zowel een arbeidsovereenkomst met de school als met het kinderdagverblijf;
b. fiscale eenheid voor de btw;
c. leerstuk van de kosten voor gemene rekening.

Ad a. Een (pedagogisch) medewerker sluit zowel een arbeidsovereenkomst met de school als met het kinderdagverblijf
Wanneer een werknemer zowel in dienst is van een kinderdagverblijf als van een schoolbestuur, is er geen sprake van het ter beschikking stellen van personeel. Voor de taken die een werknemer verricht bij het kinderdagverblijf staat de werknemer onder contract bij deze organisatie, voor de taken die een werknemer verricht bij de school staat de werknemer onder contract bij het bestuur van deze
school.

Ad b. Fiscale eenheid voor de btw
Als ondernemers in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, kunnen zij (al dan niet op verzoek) worden aangemerkt als een fiscale eenheid (artikel 7, vierde lid, van de Wet OB). Dit betekent dat zij dan voor de btw worden aangemerkt als één en dezelfde ondernemer. Prestaties die binnen de fiscale eenheid worden verricht blijven buiten het bereik van de btw-heffing. Of een kinderdagverblijf en een school aan de voorwaarden voor de fiscale eenheid kunnen voldoen is afhankelijk van de
feiten en omstandigheden van het specifieke geval. Dit is ter beoordeling van de competente inspecteur van de Belastingdienst.

Ad c. Leerstuk van de kosten voor gemene rekening
Een kinderdagverblijf en een school zouden er voor kunnen kiezen om voor gezamenlijke rekening een (pedagogische) medewerker in te schakelen. Als de kosten van deze medewerker volgens een vooraf overeengekomen vaststaande verdeelsleutel worden verdeeld over het kinderdagverblijf en de school, kan heffing van btw achterwege blijven als wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het leerstuk van de kosten voor gemene rekening. De voorwaarden die gelden voor toepassing van dit leerstuk zijn opgenomen in paragraaf 6.3.3 van het besluit van 25 november 2011, nr. BLKB 2011/641M (aftrek van voorbelasting).